zondag 28 december 2008

Anand - een kerstwens

Mijn man en ik zijn in november naar India geweest. Een reis die we samen met voorzitster Rajani Lankhaar van de Stichting Udupia maakten om het nieuwe tehuis te bekijken dat dankzij giften uit Nederland gebouwd kon worden. De verstandelijk gehandicapte jongens en mannen die daar nu wonen zijn er superblij mee!

Nu bij mij thuis de kerstboom in mijn huiskamer staat te glanzen, moet ik steeds weer terugdenken aan ‘de kinderen van Udupia’, zoals Rajani de bewoners van het tehuis altijd liefdevol noemt. Ze hebben allemaal hun eigen verhaal en achtergrond en die zijn niet altijd even leuk. Gehandicapten zijn het ondergeschoven kindje in India, een triest gegeven waar zomaar geen verandering in is aan te brengen. Ze zijn vaak overgeleverd aan de zorg van een enkeling die aan liefdadigheid wil doen. Maar nog vaker verkommeren ze, overgeleverd aan de bedelstaf, langs de kant van de weg. Neem nu de jongen naast mij op de foto. Hij heeft het syndroom van Down. Hij heeft het geluk gehad dat hij in het tehuis kan wonen. Wat echter niet per definitie betekent dat dat de meest ideale situatie is. Deze jongen, ik weet zijn echte naam niet, maar laten we hem voor het gemak Anand noemen – een mooie Indiase naam, die ‘vreugde en geluk’ betekent - deze jongen wil graag naar huis, hoe blij hij ook is met de mooie nieuwe woning waar hij nu mag verblijven. En toen een paar maanden geleden zijn vader bij hem op bezoek kwam - wat best een zeldzaamheid te noemen is - wist Anand niet wat hij hoorde. ‘Ik kom je zaterdag halen en dan mag je mee naar huis,’ had zijn vader tegen ‘m gezegd. Blij vertelde Anand het aan alle andere ‘kinderen’ in het tehuis. ‘Zaterdag mag ik naar huis, dan komt mijn vader me halen!’ Ook de kinderen van Udupia waren blij voor hem. Ze hielpen hem die zaterdag met zijn koffertje pakken, waar zijn schamele bezittingen in pasten. Met een stralende glimlach nam hij ’s morgens vroeg al plaats voor het tehuis, zijn blik gericht op de oprijlaan waar straks zijn vader zou verschijnen. De andere kinderen keken mee, maar na een tijdje moesten ze naar binnen, want er moest gegeten worden en meer van die dingen… Anand bleef zitten. Uur na uur. De zon rees aan de hemel en het werd warmer en warmer. Eén van zijn vrienden kwam hem zorgzaam iets te drinken brengen. Anand wachtte. Uur na uur. De zon begon alweer te dalen. En vele uren later werd het donker. De blije lach was van Anands gezicht verdwenen. Zachtjes keerde hij terug naar binnen, zijn koffertje bleef op de veranda van het tehuis staan als een stille getuige van een groot verdriet. Zwijgend spreidde hij zijn matje uit in de slaapzaal tussen zijn vrienden, die al sliepen. Anand heeft de volgende dag alleen maar dikke tranen gehuild. Zijn vader is niet meer op komen dagen.

Een verzonnen verhaal, denkt u? Helaas… het is echt gebeurd.

Nu mijn kerstboom vrolijk in mijn kamer staat te glanzen moet ik steeds aan de kinderen van Udupia denken. Toen we hen in november bezochten was het een dolblije boel. Anand wilde maar wat graag met me op de foto. Hij kon gelukkig weer lachen en is het voorval hopelijk vergeten. Met een onverwoestbaar goed humeur helpt hij zijn vrienden, die dat zelf niet kunnen, met eten geven. Van het kerstkind heeft hij nog nooit gehoord. Toch brengt hij op zijn manier een stuk naastenliefde in de praktijk. Ons bezoek was voor hem en de andere kinderen een welkome afwisseling. Toen ik deze jongens zag, kon ik niet anders dan hen direct in mijn hart sluiten… Ze leven in een totaal andere wereld dan wij. De eerste stap naar een prettiger leven is gezet nu ze in een mooi nieuw tehuis kunnen wonen en niet meer in een vervuilde en te kleine woning bivakkeren. En ik hoop dat we ooit nóg meer glans in hun leven kunnen brengen. U heeft geholpen de eerste stap naar een beter leven voor hen te zetten. Een liefdevol voorbeeld in een keiharde wereld! Een mooie kerstgedachte, waarvan ik hoop dat we die in de toekomst vast kunnen houden.
Ik wens iedereen fijne feestdagen en een gezond en voorspoedig 2009!

vrijdag 19 september 2008

Pubquiz


Heeft u wel eens gehoord van een pubquiz? Voor wie het begrip nog niet kent: dit is een vraag- en antwoordspel dat het liefst in een café gespeeld wordt. Mijn dochter is er een groot liefhebber van. Sinds zij in Leiden woont vanwege haar studie, heeft ze zich bij een groep jongeren aangesloten, die wekelijks gezellig met elkaar gaan stappen en meedoen aan een pubquiz. Soms krijg ik op de bewuste avond een vraag doorgespeeld per sms, zodat we snel het antwoord op internet voor haar kunnen opzoeken. Of dit helemaal de legitieme wijze van spelen is, weet ik niet, maar het is wel leuk om mee te helpen.

Het verbaasde me onlangs dat er nogal eens Bijbelvragen worden gesteld in de pubquiz. Vragen in de trend “Wie is de jongste broer van”, of “Wat is de huidige naam van een bepaalde stad” doen dus niet alleen de jongeren in Leiden tot nadenken aanzetten maar ook de oudere jongeren in Naaldwijk. Ik vind het een leuk spel en ben dan ook iedere keer weer benieuwd naar de vragen en antwoorden. Het houdt me een beetje scherp, zal ik maar zeggen. En niet alleen mij, want het schijnt dat de Bijbelkennis van jongeren tegenwoordig niet meer zo goed is, als ik de kranten moet geloven.

Onlangs merkte ik tegen mijn dochter op dat er niet zoveel vragen meer richting Naaldwijk werden gesteld. Ik vroeg haar of ze nog wel meedeed. Ze antwoordde dat ze nog steeds meedeed, maar dat de vragen de laatste tijd zo simpel waren, dat ze geen hulp nodig had. Ik vroeg haar een voorbeeld te geven en daar had ze al snel een antwoord op. “Neem nou de laatste keer, mam. Toen werd er gevraagd wat de eerste drie woorden van de Bijbel waren. Ik weet dan meteen dat het “In den beginne” is, of “In het begin” volgens de Nieuwe Bijbel Vertaling.” Tja, dat antwoord kon ik ook wel bedenken, dus ik begreep dat hier mijn assistentie niet bij nodig was. (Voor de duidelijkheid: ik ben zelf in mijn jeugd niet christelijk opgevoed). “Maar weet je wat ik zo erg vind?,” vervolgde mijn dochter. “We moesten de antwoorden opschrijven en iemand schreef dat de eerste drie woorden van de Bijbel “Er was eens” waren. Eerst moest ik er om lachen, want ik dacht dat hij een grap maakte, maar het bleek dat hij serieus dacht dat dit het juiste antwoord was!” In eerste instantie moest ik, de pittige studentenhumor inmiddels gewend, er ook om lachen. Maar daarna moest ik er toch even over nadenken of het nu wel zo leuk was. Blijkbaar was deze jongen ook niet opgegroeid met de Bijbel en kon je hem zijn hiaat in kennis niet kwalijk nemen. Maar om deze prachtige geschriften nu met een sprookje te vergelijken is toch wel heel jammer. Het bleek dat de jongen die het foutieve antwoord gaf, er zelf ook niet om had kunnen lachen. Hij stamelde vele excuses en kleurde dieprood, toen zijn vergissing hem duidelijk werd. Diep in mijn hart hoop ik, dat dit voor hem de aanzet zal zijn zich ooit wat dieper in de Bijbel te verdiepen. Wie weet?

zondag 7 september 2008

Hoezo, een prettige dag?

Er zijn van die dagen waarop het lijkt alsof ik altijd pech heb. Het zal vast herkenbaar zijn, zo’n dag waarop alles mis gaat. De voordeur valt bijvoorbeeld in het slot, terwijl de sleutels binnen liggen. Of je doet boodschappen en net als je thuis bent, bedenk je dat je tóch nog iets vergeten bent. Je gaat weer terug op je fiets en dan steekt er een harde wind op en de regen valt met bakken uit de hemel. Eenmaal thuisgekomen denk je een lekkere kop koffie te gaan zetten om een beetje op te warmen en precies dan weigert het koffiezetapparaat dienst. En als je dan denkt chocomel te zetten, blijkt het enige pak melk in huis ver over de houdbaarheidsdatum te zijn. De postbode brengt een giro betaalopdracht, die niet door de bank uitbetaald wordt, omdat je handtekening ineens niet meer herkend wordt. (Daar gaan je kaartjes voor die leuke voorstelling!). En als je dan moe op de bank neerzakt met een kop thee in je hand, gaat precies op dat moment de telefoon. Of mijn pensioen wel in orde is, vraagt een mevrouw aan de andere kant van de lijn. En dat vraagt ze niet zomaar. Nee, voor ze tot deze ongewenste intimiteit komt, leest ze eerst een heel verhaal voor. “Ja hoor,” jok ik baldadig. “Daar geniet ik elke dag van!” Even is het stil en ik hoor een heleboel papieren ritselen. “Wat zou ze nu echt van me weten?,” vraag ik me ondertussen koortsachtig af. Zou die mevrouw überhaupt weten wat mijn leeftijd is? En zo ja, hoe komt ze dan aan die gegevens? “Dan wens ik u verder nog een prettige dag mevrouw!,” klinkt het beslist aan de andere kant. Ik weet een tandenknarsend: “Hoezo, een prettige dag?,” te onderdrukken en wens de mevrouw toch nog vriendelijk hetzelfde toe. Tenslotte kan zij ook niets weten over regenbuien, sleutels, koffiezetapparaten, bedorven melk en betaalopdrachten die retour komen.

En wees nou eerlijk: er zijn ergere dingen in de wereld. Als ik had opgelet, had ik mijn sleutels en die boodschap niet vergeten, regenbuien zie je vaak aankomen, die melk had ik allang op moeten drinken. En van het geld dat ik nu overhoud aan die kaartjes die ik niet meer kan bestellen, kan ik mooi een nieuw koffiezetapparaat kopen. Dat is een geluk bij een ongeluk. Maar dat ongeluk valt volkomen in het niet bij de mail die ik even later open. Het is een berichtje van mijn man over zijn collega Ric. Ric zit momenteel aan het ziekbed van zijn 16-jarige zoon Jeroen, die een beenmergtransplantatie heeft ondergaan; voor hem de enige manier om de dodelijke ziekte leukemie tegen te gaan. Er doen zich complicaties voor, waardoor het “erop of eronder” wordt. Of ik even een kaartje wil halen om de familie sterkte te wensen. Er is nu geen regenbui meer die me kan tegenhouden en ik stap die dag voor de derde keer op mijn fiets. Ik neem me voor niet meer over onbenulligheden te mopperen.

Als een paar uur later mijn eveneens 16-jarige zoon thuiskomt, me uitdagend aankijkt als hij demonstratief zijn schooltas op de grond smijt en roept dat hij het spuugzat is op ‘die rotschool’, kan ik niet anders dan hem even een knuffel geven. Verbaasd kijkt hij me aan. Ik laat hem het berichtje lezen en hij begrijpt mijn reactie. Hij kent de jongen en beseft dat die op dit moment maar al te graag naar een ‘rotschool’ zou willen gaan. Het lot heeft voor hem echter iets anders in petto gehad: hij vecht voor zijn leven. Terwijl ik in gedachten een smeekbede ‘naar boven’ uitspreek, pakt mijn zoon stilletjes zijn schooltas en begint aan zijn huiswerk…

Joke Wageveld
(Ter nagedachtenis aan Jeroen, die wij tot aller groot verdriet in handen van zijn Schepper terug hebben moeten geven)

zondag 17 augustus 2008

Olympische Spelen


Tradities spelen in ons leven een grotere rol dan we soms beseffen. Het vieren van Kerstmis, Pasen, Pinksteren, gedenkdagen, op de één of andere manier doen we daar allemaal wel aan mee. Het op gezette tijden vasthouden aan gedenkwaardige momenten geeft ons houvast in het leven. Naast de kerkelijke tradities kennen we ook persoonlijke tradities. Verjaardagen, trouwdagen en sterfdata zijn voorbeelden van gebeurtenissen waar we even bij stil willen staan. Momenteel kunnen we genieten van een eeuwenoude traditie: de Olympische Spelen. Om de vier jaar kijken vele mensen uit naar dit geweldige sportevenement waar vrijwel iedereen wel iets mee heeft. Al is het niet een sport waar men zijn hart aan verknocht heeft, dan is het wel de opening van de spelen die iedere keer weer spectaculairder wordt. De spanning die wordt opgebouwd alvorens het Olympisch vuur wordt ontstoken doet menig hart sneller kloppen, zo ook het mijne. Iedere keer weer sta ik versteld van de ontwikkelingen in de techniek, die ogenschijnlijk onmogelijke dingen mogelijk maken. Zo ‘liep’ er dit jaar een atleet met een fakkel door de lucht, die aan het einde van zijn ronde, hoog boven het stadion, met een uitrollende film op de achtergrond, het vuur ontstak. Adembenemend mooi…

Waarschijnlijk verwacht je nu dat ik het ga hebben over Jezus die over het water liep, een veelbesproken fragment uit de Bijbel, dat logischerwijze als een onmogelijkheid beschouwd wordt. Maar daar wil ik het nu juist niet over hebben. En weet je waarom niet? Toen iemand mij dertig jaar geleden vertelde dat er een wereldwijd communicatiesysteem op handen was, dat iedereen vanuit zijn huiskamer in staat zou stellen alle informatie op te zoeken en contacten te leggen die men maar wilde, meende ik ook met een persoon van doen te hebben die ‘ze niet allemaal op een rijtje had’. En zie mij nu eens achter mijn laptop zitten. Nee, ik kijk wel uit me daar ooit nog kritisch over uit te laten. Daar zal je mij niet meer over horen.

Waar ik het dan wel over wil hebben? Over de winnaars van de Olympics. De winnaars die na een jarenlange intense inspanning, dolgelukkig het podium mogen beklimmen om hun medaille in ontvangst te nemen. De ontlading die komt zodra het volkslied wordt gespeeld. De emoties die dan loskomen en die nauwelijks of niet in bedwang zijn te houden. De tranen die rollen, de brede lach die volgt, het scala aan gevoelens dat onze huiskamers binnenkomt via onze moderne platte breedbeeldschermen. Het publiek dat in juichen uitbarst zodra het volkslied is beëindigd. En, last but not least, de ogen van de winnaar, die stralend van geluk, héél even naar boven kijken om daarna dichtgeknepen te worden, als in een poging dit prachtige moment voor eeuwig op het netvlies vast te leggen. Kijk, daar word ik nou helemaal warm van… Het delen van zoveel geluk, betekent voor mij óók een stukje geloven.

maandag 4 augustus 2008

Loyaliteit


Iedereen wordt wel eens geconfronteerd met een gebrek aan loyaliteit. Zo ook ondergetekende. De ene keer glijdt dit van me af en de andere keer niet. Een enkele keer kan een gebrek aan loyaliteit me tot in het diepst van mijn ziel raken. Ik reageer dan hoogst verontwaardigd en ik kan gerust zeggen dat ik dan even uit het veld ben geslagen. In allerijl raadpleeg ik dan familie, vrienden en goede collega’s om te peilen hoe zij hier nu tegenaan kijken en ik moet zeggen: meestal helpt dat. Uit de wirwar van informatie die ik dan over me afroep, haal ik meestal precies datgene waar ik weer mee verder kan. Maar onlangs lukte me dat niet. Ik werd op zakelijk gebied geconfronteerd met een vorm van onoprechtheid, intriges en ontrouw waarvan, zoals ik dat altijd pleeg te betitelen “de honden geen brood lusten”. Wóedend was ik. En als ik er aan terugdenk, dan borrelt het van binnen nog steeds. Ik kon er niet mee uit de voeten en vroeg de hele santenkraam in mijn vertrouwde omgeving om raad. En die kreeg ik ook. Een waterval van adviezen, goede bedoelingen en meningen spoelde over me heen. Maar ik kwam er niet uit. Hoe lang ik ook bleef denken; het lukte me niet om een manier te vinden die me in de hoeveelheid van intriges de juiste weg zou kunnen wijzen. Ik werd er moedeloos van en zakte neer in een stoel voor de t.v. met de bedoeling er later nog eens over na te denken en nu even mijn gedachten te verzetten. Toen ging de voordeurbel.

Aan de contouren door de ruit van de deur kon ik al zien wie er aanbelde: de mevrouw van de Jehova’s. Ik weet niet hoe u er tegenoverstaat, maar ik maak altijd even een praatje met haar. Ik “heb” namelijk meestal een gezellige dame, die lekker kan kletsen en die het en passant ook nog even over het geloof heeft, alsof dit niet de enige reden is, waar zij voor langskomt. Ik geef netjes antwoord en ik heb haar al zo vaak gesproken, dat ik er op durf te vertrouwen dat we elkaar in onze zienswijzen respecteren. Na al die jaren dat zij al aan mijn deur komt, raak je ook nog eens aan iemand gehecht. Dat bemerkte ik, toen zij onlangs op vakantie was en er een geloofsgenoot van haar bij mij aanbelde, die veel minder gezellige verhalen vertelde. Maar gelukkig was ze er nu weer en we wisselden informatie uit over onze vakanties. Na een paar minuten bracht ze het gesprek op het tijdschrift dat ze bij zich had. “Waarom het loont om loyaal te zijn” stond er in grote letters op het voorblad. Ik was met stomheid geslagen, want ik had namelijk net het tegendeel ervaren. Kort legde ik in bedekte termen mijn dilemma uit. En op haar beurt legde ze me uit dat loyaliteit naar elkaar en naar God wel degelijk loont. Daar wilde ik natuurlijk nog wel wat meer over lezen. Terwijl ik een vrijwillige bijdrage gaf voor het tijdschrift, eindigde ik ons gesprek knipogend met: “Zie je wel dat er een lijntje naar boven loopt …”
“En Die laat je nooit in de steek…als je dát maar weet! ,” besloot zij beslist ons gesprek.
© Joke Wageveld

Altijd blijven lachen

Soms besef ik niet hoe snel de tijd eigenlijk gaat. Ik zag het een poos geleden weer eens, toen ik de moeder van een vroegere schoolvriendin ontmoette. Zonder dat ik er erg in had, zaten er zowaar twintig jaar tussen de laatste en de hernieuwde ontmoeting. En die twintig jaren hadden duidelijk hun sporen nagelaten. De vroeger zo kwieke moeder, altijd vrolijk, altijd lachend en grapjes makend… ze was nu diep terneergeslagen. Zelfstandig wonen was niet meer mogelijk, de hersenen wilden niet meer zo vlot en de benen nog minder. Aan een rolstoel gekluisterd bracht zij nu haar dagen door in een verzorgingstehuis tussen mensen die ze niet kende en die haar niet kenden. Mensen die haar ook nooit zouden leren kennen, omdat ze alleen nog maar in het verleden leefden. Al haar spulletjes had haar dochter op moeten ruimen, er was bijna geen privé-plekje beschikbaar in het tehuis. Slechts een prikbord boven haar bed, waar een foto van haar enige dochter, schoonzoon en kleinkind in een verder leeg veld prijkte.

Omdat het erg benauwd was in het verzorgingstehuis, besloten mijn schoolvriendin en ik een eindje met haar te gaan wandelen en lekker buiten in de schaduw te gaan zitten. Vanuit haar rolstoel keek ze me onderzoekend aan en ik lachte naar haar. “Je bent niks veranderd,” glimlachte ze terug, “Je bent nog net zo´n lieverd als vroeger.” Blij dat ze me herkende, pakte ik haar hand en streek er zachtjes over. Ooit noemde ze me altijd ‘lieverd’, of ‘gekkerd’, als we weer eens de tranen over onze wangen lachten om de puberstreken die ik samen met haar dochter beraamde. “Weet u nog hoe we altijd konden lachen?,” vroeg ik haar rustig, want snelle vragen kon ze door haar ziekte niet verwerken. Daar moest ze even diep over nadenken. “Tippen met tale tonten!”, zei ze plotseling breed grijnzend. Verbaasd keek ik haar aan en toen herinnerde ik het me ook weer. “Kippen met kale konten,” proestte ik uit. Vroeger deden we altijd woordspelletjes en draaiden letters in woorden om, of vervingen alle medeklinkers door dezelfde letter. Daar maakten we de gekste combinaties mee, die echter gezien het soms wat minder beschaafde karakter niet helemaal voor publicatie geschikt zijn. We ontwikkelden een heel eigen taaltje dat we vlot met elkaar spraken en waar anderen niets van begrepen.

Giechelend als kleine schoolmeisjes startten we het aloude spelletje. We moesten haar regelmatig helpen met de vertaling van de woorden, maar voor we het beseften, zat ze te schateren in haar rolstoel. “Je bent nog net zo´n gekkerd als vroeger, niks veranderd,” zei ze hoofdschuddend. Na een uurtje was ze moe en we brachten haar weer naar de huiskamer bij de andere bewoners, die zwijgend naar het bosje bloemen staarden dat mijn vriendin veilig buiten bereik midden op de tafel had neergezet. In de keuken vertrouwde ze me toe, dat ze haar moeder de laatste twee jaar niet meer zo had zien lachen. Het bezoek nam af, de gesprekken gingen moeizamer en er vielen mensen weg. Zo nu en dan kwam er nog een oude bekende langs van het Leger des Heils, waar haar moeder en grootouders zich altijd bij hadden aangesloten. “Wat ben ik blij voor haar, dat er nog steeds mensen vanuit de betrokkenheid van hun geloof naar haar om blijven kijken. Daar hebben we vroeger enorme discussies over gehad, maar ze had zo´n steun aan haar geloof.”

Bij mijn vertrek omhelsde ik mijn vriendin. “Er is veel veranderd in die twintig jaar, maar één ding hebben we behouden.” “Blijven lachen, hè?,” fluisterde ik in haar moeders oor, terwijl ik haar op beide wangen kuste. “Denk erom, wat er ook gebeurt, probeer altijd te blijven lachen!” Met een grote stelligheid knikte ze en ze bevestigde samenzwerend met een knipoog mijn woorden: “Ja, altijd blijven lachen… da’s ons geheimpje van vroeger!“
© 2008 Joke Wageveld

dinsdag 29 juli 2008

Over goedgevulde koelkasten en eeuwigdurende liefde

Toen mijn 14-jarige zoon nog een klein mannetje van 4 jaar was, wist hij al precies hoe hij zijn moeder om zijn mollige garnalenvingertje kon winden. “Mama, ik vind jou lief,” zei hij talloze malen per dag. Vervolgens klemde hij dan zijn mollige armpjes om mijn hals en voegde er met grote onschuldige ogen aan toe: “Krijg ik nou een snoepje?” Ik kan u verzekeren dat deze toverformule op zijn weekhartige moeder de gewenste uitwerking had, hoewel ik het trucje wel doorzag. Zijn bolle snoetje, omlijst met rode krulletjes, deed me elke keer weer smelten.

Inmiddels zijn we 10 jaar verder en dat kleine mannetje van toen is uitgegroeid tot een spichtige puber met geblondeerde haren en een “snel” brilletje op een mager koppie. Zoals elk jaar ging hij ook deze zomer met zijn scoutingvrienden kamperen. Deze keer wel 10 dagen in plaats van 1 week. Gewapend met een volle rugzak ging ik met hem op pad om hem uit te zwaaien. Hij stapte in een auto van de kampleiding en glunderend vertrok hij met zijn vrienden richting Sneek. Nog net op tijd dacht hij eraan te zwaaien (een iets inniger afscheid zit er op deze leeftijd niet in) en inwendig glimlachend keerde ik weer terug naar een stil huis.

De afwezigheid van zijn bruisende energie was bijna lijfelijk te voelen. De daaropvolgende dagen vernam ik niets van hem. Pas na een week rinkelde de telefoon: “collect call” en na acceptatie klonk het aarzelend aan de andere kant van de lijn: “Nou eh, met mij.” Nog net kon ik mezelf weerhouden van de vraag waarom hij niet met zijn eigen mobiele telefoon belde, waar volgens mij nog zo’n 25 euro beltegoed op moest staan. Tenslotte wil je niet meteen de sfeer bederven, toch? Oprecht enthousiast vroeg ik daarom hoe het met hem ging en of hij het leuk had. Rustig antwoordde hij dat het een leuk kamp was, maar hij miste mij wel een beetje. Die boodschap sloeg in als een bom. Taferelen van een jongen, ver van huis en verscheurd door heimwee, trokken aan mijn oog voorbij, maar ik vermande mezelf. Tenslotte zouden we elkaar over drie dagen weer zien. Toen ik na een korte stilte zei, dat ik hem ook wel een beetje miste, ging hij plotseling vrolijk verder: “Als ik zaterdag thuiskom, kan jij er dan voor zorgen dat er een slaatje is. En witte broodjes met warme worst. En dan ’s avonds een lekker broodje shoarma en patat. Daar heb ik nou zó’n trek in!”
Ik was er weer ingetuind…

Het enige wat er in die tien jaar is veranderd, is de hoeveelheid voedsel die mijn snelgroeiende zoon tot zich neemt en het gegeven dat ik nu iets omhoog moet kijken om ‘m in zijn onschuldige ogen te kunnen zien. Als ik hem ’s zaterdags na afloop van zijn vakantie ga halen, krijg ik plotseling schuchter een kus op mijn wang. Zijn liefdevolle uiting naar zijn moeder in het bijzijn van z’n vrienden zie ik als een eerste doorbraak van puberale stoerheid naar volwassenheid. En mijn weke moederhart? Dat heeft uiteraard allang voor een goedgevulde koelkast gezorgd!

Als ik ‘s avonds knus met mijn zoon tegen me aangeleund televisie zit te kijken, bedenk ik plotseling dat onze Vader waarschijnlijk ook Zijn kinderen met open armen ontvangt als zij een poosje met vakantie zijn geweest en even buiten beeld zijn geweest. Hij wacht hen op tot ze weer thuiskomen. Met een goedgevulde koelkast om hun eeuwigdurende honger te stillen. Begripvol, onvoorwaardelijk liefde schenkend, zodat zij onder Zijn veilige hoede tot ontplooiing kunnen komen.