dinsdag 29 juli 2008

Over goedgevulde koelkasten en eeuwigdurende liefde

Toen mijn 14-jarige zoon nog een klein mannetje van 4 jaar was, wist hij al precies hoe hij zijn moeder om zijn mollige garnalenvingertje kon winden. “Mama, ik vind jou lief,” zei hij talloze malen per dag. Vervolgens klemde hij dan zijn mollige armpjes om mijn hals en voegde er met grote onschuldige ogen aan toe: “Krijg ik nou een snoepje?” Ik kan u verzekeren dat deze toverformule op zijn weekhartige moeder de gewenste uitwerking had, hoewel ik het trucje wel doorzag. Zijn bolle snoetje, omlijst met rode krulletjes, deed me elke keer weer smelten.

Inmiddels zijn we 10 jaar verder en dat kleine mannetje van toen is uitgegroeid tot een spichtige puber met geblondeerde haren en een “snel” brilletje op een mager koppie. Zoals elk jaar ging hij ook deze zomer met zijn scoutingvrienden kamperen. Deze keer wel 10 dagen in plaats van 1 week. Gewapend met een volle rugzak ging ik met hem op pad om hem uit te zwaaien. Hij stapte in een auto van de kampleiding en glunderend vertrok hij met zijn vrienden richting Sneek. Nog net op tijd dacht hij eraan te zwaaien (een iets inniger afscheid zit er op deze leeftijd niet in) en inwendig glimlachend keerde ik weer terug naar een stil huis.

De afwezigheid van zijn bruisende energie was bijna lijfelijk te voelen. De daaropvolgende dagen vernam ik niets van hem. Pas na een week rinkelde de telefoon: “collect call” en na acceptatie klonk het aarzelend aan de andere kant van de lijn: “Nou eh, met mij.” Nog net kon ik mezelf weerhouden van de vraag waarom hij niet met zijn eigen mobiele telefoon belde, waar volgens mij nog zo’n 25 euro beltegoed op moest staan. Tenslotte wil je niet meteen de sfeer bederven, toch? Oprecht enthousiast vroeg ik daarom hoe het met hem ging en of hij het leuk had. Rustig antwoordde hij dat het een leuk kamp was, maar hij miste mij wel een beetje. Die boodschap sloeg in als een bom. Taferelen van een jongen, ver van huis en verscheurd door heimwee, trokken aan mijn oog voorbij, maar ik vermande mezelf. Tenslotte zouden we elkaar over drie dagen weer zien. Toen ik na een korte stilte zei, dat ik hem ook wel een beetje miste, ging hij plotseling vrolijk verder: “Als ik zaterdag thuiskom, kan jij er dan voor zorgen dat er een slaatje is. En witte broodjes met warme worst. En dan ’s avonds een lekker broodje shoarma en patat. Daar heb ik nou zó’n trek in!”
Ik was er weer ingetuind…

Het enige wat er in die tien jaar is veranderd, is de hoeveelheid voedsel die mijn snelgroeiende zoon tot zich neemt en het gegeven dat ik nu iets omhoog moet kijken om ‘m in zijn onschuldige ogen te kunnen zien. Als ik hem ’s zaterdags na afloop van zijn vakantie ga halen, krijg ik plotseling schuchter een kus op mijn wang. Zijn liefdevolle uiting naar zijn moeder in het bijzijn van z’n vrienden zie ik als een eerste doorbraak van puberale stoerheid naar volwassenheid. En mijn weke moederhart? Dat heeft uiteraard allang voor een goedgevulde koelkast gezorgd!

Als ik ‘s avonds knus met mijn zoon tegen me aangeleund televisie zit te kijken, bedenk ik plotseling dat onze Vader waarschijnlijk ook Zijn kinderen met open armen ontvangt als zij een poosje met vakantie zijn geweest en even buiten beeld zijn geweest. Hij wacht hen op tot ze weer thuiskomen. Met een goedgevulde koelkast om hun eeuwigdurende honger te stillen. Begripvol, onvoorwaardelijk liefde schenkend, zodat zij onder Zijn veilige hoede tot ontplooiing kunnen komen.

Geen opmerkingen: