maandag 4 augustus 2008

Altijd blijven lachen

Soms besef ik niet hoe snel de tijd eigenlijk gaat. Ik zag het een poos geleden weer eens, toen ik de moeder van een vroegere schoolvriendin ontmoette. Zonder dat ik er erg in had, zaten er zowaar twintig jaar tussen de laatste en de hernieuwde ontmoeting. En die twintig jaren hadden duidelijk hun sporen nagelaten. De vroeger zo kwieke moeder, altijd vrolijk, altijd lachend en grapjes makend… ze was nu diep terneergeslagen. Zelfstandig wonen was niet meer mogelijk, de hersenen wilden niet meer zo vlot en de benen nog minder. Aan een rolstoel gekluisterd bracht zij nu haar dagen door in een verzorgingstehuis tussen mensen die ze niet kende en die haar niet kenden. Mensen die haar ook nooit zouden leren kennen, omdat ze alleen nog maar in het verleden leefden. Al haar spulletjes had haar dochter op moeten ruimen, er was bijna geen privé-plekje beschikbaar in het tehuis. Slechts een prikbord boven haar bed, waar een foto van haar enige dochter, schoonzoon en kleinkind in een verder leeg veld prijkte.

Omdat het erg benauwd was in het verzorgingstehuis, besloten mijn schoolvriendin en ik een eindje met haar te gaan wandelen en lekker buiten in de schaduw te gaan zitten. Vanuit haar rolstoel keek ze me onderzoekend aan en ik lachte naar haar. “Je bent niks veranderd,” glimlachte ze terug, “Je bent nog net zo´n lieverd als vroeger.” Blij dat ze me herkende, pakte ik haar hand en streek er zachtjes over. Ooit noemde ze me altijd ‘lieverd’, of ‘gekkerd’, als we weer eens de tranen over onze wangen lachten om de puberstreken die ik samen met haar dochter beraamde. “Weet u nog hoe we altijd konden lachen?,” vroeg ik haar rustig, want snelle vragen kon ze door haar ziekte niet verwerken. Daar moest ze even diep over nadenken. “Tippen met tale tonten!”, zei ze plotseling breed grijnzend. Verbaasd keek ik haar aan en toen herinnerde ik het me ook weer. “Kippen met kale konten,” proestte ik uit. Vroeger deden we altijd woordspelletjes en draaiden letters in woorden om, of vervingen alle medeklinkers door dezelfde letter. Daar maakten we de gekste combinaties mee, die echter gezien het soms wat minder beschaafde karakter niet helemaal voor publicatie geschikt zijn. We ontwikkelden een heel eigen taaltje dat we vlot met elkaar spraken en waar anderen niets van begrepen.

Giechelend als kleine schoolmeisjes startten we het aloude spelletje. We moesten haar regelmatig helpen met de vertaling van de woorden, maar voor we het beseften, zat ze te schateren in haar rolstoel. “Je bent nog net zo´n gekkerd als vroeger, niks veranderd,” zei ze hoofdschuddend. Na een uurtje was ze moe en we brachten haar weer naar de huiskamer bij de andere bewoners, die zwijgend naar het bosje bloemen staarden dat mijn vriendin veilig buiten bereik midden op de tafel had neergezet. In de keuken vertrouwde ze me toe, dat ze haar moeder de laatste twee jaar niet meer zo had zien lachen. Het bezoek nam af, de gesprekken gingen moeizamer en er vielen mensen weg. Zo nu en dan kwam er nog een oude bekende langs van het Leger des Heils, waar haar moeder en grootouders zich altijd bij hadden aangesloten. “Wat ben ik blij voor haar, dat er nog steeds mensen vanuit de betrokkenheid van hun geloof naar haar om blijven kijken. Daar hebben we vroeger enorme discussies over gehad, maar ze had zo´n steun aan haar geloof.”

Bij mijn vertrek omhelsde ik mijn vriendin. “Er is veel veranderd in die twintig jaar, maar één ding hebben we behouden.” “Blijven lachen, hè?,” fluisterde ik in haar moeders oor, terwijl ik haar op beide wangen kuste. “Denk erom, wat er ook gebeurt, probeer altijd te blijven lachen!” Met een grote stelligheid knikte ze en ze bevestigde samenzwerend met een knipoog mijn woorden: “Ja, altijd blijven lachen… da’s ons geheimpje van vroeger!“
© 2008 Joke Wageveld

Geen opmerkingen: