zondag 17 augustus 2008

Olympische Spelen


Tradities spelen in ons leven een grotere rol dan we soms beseffen. Het vieren van Kerstmis, Pasen, Pinksteren, gedenkdagen, op de één of andere manier doen we daar allemaal wel aan mee. Het op gezette tijden vasthouden aan gedenkwaardige momenten geeft ons houvast in het leven. Naast de kerkelijke tradities kennen we ook persoonlijke tradities. Verjaardagen, trouwdagen en sterfdata zijn voorbeelden van gebeurtenissen waar we even bij stil willen staan. Momenteel kunnen we genieten van een eeuwenoude traditie: de Olympische Spelen. Om de vier jaar kijken vele mensen uit naar dit geweldige sportevenement waar vrijwel iedereen wel iets mee heeft. Al is het niet een sport waar men zijn hart aan verknocht heeft, dan is het wel de opening van de spelen die iedere keer weer spectaculairder wordt. De spanning die wordt opgebouwd alvorens het Olympisch vuur wordt ontstoken doet menig hart sneller kloppen, zo ook het mijne. Iedere keer weer sta ik versteld van de ontwikkelingen in de techniek, die ogenschijnlijk onmogelijke dingen mogelijk maken. Zo ‘liep’ er dit jaar een atleet met een fakkel door de lucht, die aan het einde van zijn ronde, hoog boven het stadion, met een uitrollende film op de achtergrond, het vuur ontstak. Adembenemend mooi…

Waarschijnlijk verwacht je nu dat ik het ga hebben over Jezus die over het water liep, een veelbesproken fragment uit de Bijbel, dat logischerwijze als een onmogelijkheid beschouwd wordt. Maar daar wil ik het nu juist niet over hebben. En weet je waarom niet? Toen iemand mij dertig jaar geleden vertelde dat er een wereldwijd communicatiesysteem op handen was, dat iedereen vanuit zijn huiskamer in staat zou stellen alle informatie op te zoeken en contacten te leggen die men maar wilde, meende ik ook met een persoon van doen te hebben die ‘ze niet allemaal op een rijtje had’. En zie mij nu eens achter mijn laptop zitten. Nee, ik kijk wel uit me daar ooit nog kritisch over uit te laten. Daar zal je mij niet meer over horen.

Waar ik het dan wel over wil hebben? Over de winnaars van de Olympics. De winnaars die na een jarenlange intense inspanning, dolgelukkig het podium mogen beklimmen om hun medaille in ontvangst te nemen. De ontlading die komt zodra het volkslied wordt gespeeld. De emoties die dan loskomen en die nauwelijks of niet in bedwang zijn te houden. De tranen die rollen, de brede lach die volgt, het scala aan gevoelens dat onze huiskamers binnenkomt via onze moderne platte breedbeeldschermen. Het publiek dat in juichen uitbarst zodra het volkslied is beëindigd. En, last but not least, de ogen van de winnaar, die stralend van geluk, héél even naar boven kijken om daarna dichtgeknepen te worden, als in een poging dit prachtige moment voor eeuwig op het netvlies vast te leggen. Kijk, daar word ik nou helemaal warm van… Het delen van zoveel geluk, betekent voor mij óók een stukje geloven.

maandag 4 augustus 2008

Loyaliteit


Iedereen wordt wel eens geconfronteerd met een gebrek aan loyaliteit. Zo ook ondergetekende. De ene keer glijdt dit van me af en de andere keer niet. Een enkele keer kan een gebrek aan loyaliteit me tot in het diepst van mijn ziel raken. Ik reageer dan hoogst verontwaardigd en ik kan gerust zeggen dat ik dan even uit het veld ben geslagen. In allerijl raadpleeg ik dan familie, vrienden en goede collega’s om te peilen hoe zij hier nu tegenaan kijken en ik moet zeggen: meestal helpt dat. Uit de wirwar van informatie die ik dan over me afroep, haal ik meestal precies datgene waar ik weer mee verder kan. Maar onlangs lukte me dat niet. Ik werd op zakelijk gebied geconfronteerd met een vorm van onoprechtheid, intriges en ontrouw waarvan, zoals ik dat altijd pleeg te betitelen “de honden geen brood lusten”. Wóedend was ik. En als ik er aan terugdenk, dan borrelt het van binnen nog steeds. Ik kon er niet mee uit de voeten en vroeg de hele santenkraam in mijn vertrouwde omgeving om raad. En die kreeg ik ook. Een waterval van adviezen, goede bedoelingen en meningen spoelde over me heen. Maar ik kwam er niet uit. Hoe lang ik ook bleef denken; het lukte me niet om een manier te vinden die me in de hoeveelheid van intriges de juiste weg zou kunnen wijzen. Ik werd er moedeloos van en zakte neer in een stoel voor de t.v. met de bedoeling er later nog eens over na te denken en nu even mijn gedachten te verzetten. Toen ging de voordeurbel.

Aan de contouren door de ruit van de deur kon ik al zien wie er aanbelde: de mevrouw van de Jehova’s. Ik weet niet hoe u er tegenoverstaat, maar ik maak altijd even een praatje met haar. Ik “heb” namelijk meestal een gezellige dame, die lekker kan kletsen en die het en passant ook nog even over het geloof heeft, alsof dit niet de enige reden is, waar zij voor langskomt. Ik geef netjes antwoord en ik heb haar al zo vaak gesproken, dat ik er op durf te vertrouwen dat we elkaar in onze zienswijzen respecteren. Na al die jaren dat zij al aan mijn deur komt, raak je ook nog eens aan iemand gehecht. Dat bemerkte ik, toen zij onlangs op vakantie was en er een geloofsgenoot van haar bij mij aanbelde, die veel minder gezellige verhalen vertelde. Maar gelukkig was ze er nu weer en we wisselden informatie uit over onze vakanties. Na een paar minuten bracht ze het gesprek op het tijdschrift dat ze bij zich had. “Waarom het loont om loyaal te zijn” stond er in grote letters op het voorblad. Ik was met stomheid geslagen, want ik had namelijk net het tegendeel ervaren. Kort legde ik in bedekte termen mijn dilemma uit. En op haar beurt legde ze me uit dat loyaliteit naar elkaar en naar God wel degelijk loont. Daar wilde ik natuurlijk nog wel wat meer over lezen. Terwijl ik een vrijwillige bijdrage gaf voor het tijdschrift, eindigde ik ons gesprek knipogend met: “Zie je wel dat er een lijntje naar boven loopt …”
“En Die laat je nooit in de steek…als je dát maar weet! ,” besloot zij beslist ons gesprek.
© Joke Wageveld

Altijd blijven lachen

Soms besef ik niet hoe snel de tijd eigenlijk gaat. Ik zag het een poos geleden weer eens, toen ik de moeder van een vroegere schoolvriendin ontmoette. Zonder dat ik er erg in had, zaten er zowaar twintig jaar tussen de laatste en de hernieuwde ontmoeting. En die twintig jaren hadden duidelijk hun sporen nagelaten. De vroeger zo kwieke moeder, altijd vrolijk, altijd lachend en grapjes makend… ze was nu diep terneergeslagen. Zelfstandig wonen was niet meer mogelijk, de hersenen wilden niet meer zo vlot en de benen nog minder. Aan een rolstoel gekluisterd bracht zij nu haar dagen door in een verzorgingstehuis tussen mensen die ze niet kende en die haar niet kenden. Mensen die haar ook nooit zouden leren kennen, omdat ze alleen nog maar in het verleden leefden. Al haar spulletjes had haar dochter op moeten ruimen, er was bijna geen privé-plekje beschikbaar in het tehuis. Slechts een prikbord boven haar bed, waar een foto van haar enige dochter, schoonzoon en kleinkind in een verder leeg veld prijkte.

Omdat het erg benauwd was in het verzorgingstehuis, besloten mijn schoolvriendin en ik een eindje met haar te gaan wandelen en lekker buiten in de schaduw te gaan zitten. Vanuit haar rolstoel keek ze me onderzoekend aan en ik lachte naar haar. “Je bent niks veranderd,” glimlachte ze terug, “Je bent nog net zo´n lieverd als vroeger.” Blij dat ze me herkende, pakte ik haar hand en streek er zachtjes over. Ooit noemde ze me altijd ‘lieverd’, of ‘gekkerd’, als we weer eens de tranen over onze wangen lachten om de puberstreken die ik samen met haar dochter beraamde. “Weet u nog hoe we altijd konden lachen?,” vroeg ik haar rustig, want snelle vragen kon ze door haar ziekte niet verwerken. Daar moest ze even diep over nadenken. “Tippen met tale tonten!”, zei ze plotseling breed grijnzend. Verbaasd keek ik haar aan en toen herinnerde ik het me ook weer. “Kippen met kale konten,” proestte ik uit. Vroeger deden we altijd woordspelletjes en draaiden letters in woorden om, of vervingen alle medeklinkers door dezelfde letter. Daar maakten we de gekste combinaties mee, die echter gezien het soms wat minder beschaafde karakter niet helemaal voor publicatie geschikt zijn. We ontwikkelden een heel eigen taaltje dat we vlot met elkaar spraken en waar anderen niets van begrepen.

Giechelend als kleine schoolmeisjes startten we het aloude spelletje. We moesten haar regelmatig helpen met de vertaling van de woorden, maar voor we het beseften, zat ze te schateren in haar rolstoel. “Je bent nog net zo´n gekkerd als vroeger, niks veranderd,” zei ze hoofdschuddend. Na een uurtje was ze moe en we brachten haar weer naar de huiskamer bij de andere bewoners, die zwijgend naar het bosje bloemen staarden dat mijn vriendin veilig buiten bereik midden op de tafel had neergezet. In de keuken vertrouwde ze me toe, dat ze haar moeder de laatste twee jaar niet meer zo had zien lachen. Het bezoek nam af, de gesprekken gingen moeizamer en er vielen mensen weg. Zo nu en dan kwam er nog een oude bekende langs van het Leger des Heils, waar haar moeder en grootouders zich altijd bij hadden aangesloten. “Wat ben ik blij voor haar, dat er nog steeds mensen vanuit de betrokkenheid van hun geloof naar haar om blijven kijken. Daar hebben we vroeger enorme discussies over gehad, maar ze had zo´n steun aan haar geloof.”

Bij mijn vertrek omhelsde ik mijn vriendin. “Er is veel veranderd in die twintig jaar, maar één ding hebben we behouden.” “Blijven lachen, hè?,” fluisterde ik in haar moeders oor, terwijl ik haar op beide wangen kuste. “Denk erom, wat er ook gebeurt, probeer altijd te blijven lachen!” Met een grote stelligheid knikte ze en ze bevestigde samenzwerend met een knipoog mijn woorden: “Ja, altijd blijven lachen… da’s ons geheimpje van vroeger!“
© 2008 Joke Wageveld